In de handel brengen van GGO's in het leefmilieu en/of als levensmiddelen en diervoeders: Enkele cijfers

 

Dossiers ingediend in het kader van richtlijn 2001/18/EG

Sinds de toepassing van de richtlijnen voor GGO's in 1990 heeft België slechts drie dossiers als rapporterende lidstaat moeten behandelen.
Voor twee van deze dossiers (een genetisch gemodificeerde soja, in 1998 door de onderneming Bayer Cropscience ingediend en een genetisch gemodificeerde rode biet, in 1999 door Monsanto ingediend) is de wetenschappelijke risicobeoordeling nooit afgerond omdat deze dossiers eerst onvolledig zijn verklaard en in 2004 door de ondernemingen zelf zijn ingetrokken.

Het derde dossier (ref. C/BE/96/01) betreft genetisch gemodificeerd koolzaad MS8xRF3 ontwikkeld door de onderneming Plant Genetic Systems. De behandeling van dit dossier illustreert perfect de complexiteit en de duur van de toelatingsprocedure van een GGO op Europees niveau. Het is tevens het eerste dossier dat de Adviesraad voor Bioveiligheid na zijn officiële invoering heeft moeten behandelen.
=> Volg deze link voor een gedetailleerde geschiedenis van de procedure voor de beoordeling en toelating van dossier C/BE/96/01.

Aanvankelijk is het de SBB die, in opdracht van de bevoegde overheden, de adviezen uitreikt. Door een gebrek aan personeel en middelen spitste de expertise van de SBB zich toe op de aspecten verband houdend met de opsporing en de identificatie van de GGO's (moleculaire karakterisering), de beoordeling van de risico’s voor het leefmilieu en het monitoringplan.
Tussen 2003 en 2008 krijgt de SBB de opdracht van de Adviesraad voor Bioveiligheid om dit soort dossiers te evalueren en adviezen aan de bevoegde federale overheid uit te reiken.
Sinds 2008 beslist de Raad geval per geval over de aanpak van dergelijke dossiers. Voor de enkele dossiers die sinds 2008 zijn ingediend (het ging hier om genetisch gemodificeerde anjers) heeft de Raad de evaluatie opnieuw aan de SBB gedelegeerd.

Dossiers onder richtlijnen 90/220/EEG en 2001/18/EG werden voornamelijk vóór 2000 ingediend. Het allereerste behandelde dossier, een tabaksdossier, werd in 1993 ingediend.
Het aantal dossiers ingediend in het kader van de richtlijn 2001/18/EG is sinds 2005 aanzienlijk gedaald. Dit valt samen met de inwerkingtreding van de Verordening (EG) 1829/2003 (zie hieronder). Sindsdien werden slechts enkele dossiers van GGO's die niet voor menselijke en/of dierlijke voeding zijn bestemd in het kader van de richtlijn 2001/18/EG behandeld (bijvoorbeeld snijbloemen of een soort van transgene aardappelen ontwikkeld voor de industriële productie van zetmeel verrijkt met amylopectine). Nagenoeg alle toelatingsaanvragen voor de commercialisering van transgene planten worden nu in het kader van Verordening (EG) 1829/2003 ingediend, terwijl de verordening de kennisgevers de mogelijkheid biedt hun aanvragen te verdelen in functie van de Verordening (voor voedingsgebonden aspecten) of de richtlijn (voor aspecten betreffende het kweken). De kennisgevers geven dus duidelijk de voorkeur aan de unieke toelatingsprocedure (one door, one key) die het mogelijk maakt om, via één aanvraag, een toelating aan te vragen voor het gebruik in het menselijke en dierlijke voedsel en voor het kweken of de doelbewuste introductie in het leefmilieu.

In het kader van de richtlijnen 90/220/EEG en 2001/18/EG heeft meer dan de helft van de dossiers ingediend op Europees niveau betrekking op transgene maïs en koolzaad die herbicidetolerant zijn en/of resistent zijn tegen insecten, of die mannelijke steriliteit vertonen. Men mag niet vergeten dat het merendeel van de GGO's die het voorwerp uitmaken van een toelatingsaanvraag voor het in de handel brengen in de EU hiervoor al een toelating hebben gekregen in andere landen, zoals de Verenigde Staten, Canada of Japan.

De lijst van GGO's toegelaten voor het in de handel brengen in het kader van de Richtlijnen 90/220/EEG of 2001/18/EG is beschikbaar op deze website. Binnen de Europese Unie wordt alleen de transgene maïs MON810 daadwerkelijk verbouwd. Ter herinnering, op het Belgische grondgebied wordt er tot op heden geen enkele transgene plant als marktgewas geteeld.


Dossiers ingediend in het kader van verordening (EG) 1829/2003

België is één van de zeldzame lidstaten die actief en systematisch bijdragen tot de procedure van de risicobeoordeling van dossiers ingediend in het kader van van de verordening "GG voedingsmiddelen".
Het aantal adviezen of andere documenten die door Bioveiligheidsraad worden gepubliceerd in verband met deze dossiers de laatste jaren sterk is gestegen (Figuur hieronder). De ARB heeft sinds zijn oprichting tot eind 2017 82 adviezen aan de bevoegde minister verleend.

Op de website van de Europese Commissie staat de volledige lijst van GGO's die op de Europese markt zijn toegelaten krachtens de verordening (EG) 1829/2003 (EU Register of authorised GMOs). De GGO's waarvoor tot nu toe een toelating werd verleend zijn meestal genetisch gemodificeerde planten (katoen, maïs, koolzaad, soja, suikerbiet) die herbicidetolerant en/of resistent tegen insecten zijn. Het feit dat deze GGO's in de EU worden toegelaten, betekent niet noodzakelijk dat zij werkelijk aanwezig zijn op de Europese markt. Hun gebruik blijft in 2015 beperkt en de toegelaten GGO's worden hoofdzakelijk als veevoer gebruikt.
Momenteel kan alleen een beperkt aantal GGO's en bijproducten voor menselijke consumptie verkocht worden. Het gaat om producten afkomstig van genetisch gemodificeerde soja of maïs (zoals sojaburgers, tofoe, maïszetmeel of popcorn), olie afkomstig uit katoenzaden, maïs, soja of koolzaden alsook zetmeel, bloem en isoglucose. Hoewel deze GGO's of bijproducten in Europa worden toegestaan, weigert het merendeel van de groothandelaars om ze te koop aan te bieden.

De Bioveiligheidsraad reikt eveneens adviezen uit betreffende de risicobeoordeling voor het leefmilieu van bepaalde soorten dossiers ingediend in het kader van de Verordening (EG) 1829/2003 en waarvan het toepassingsgebied ook de kweek omvat. Tot op heden werd de Raad door EFSA gemandateerd om de evaluatie dan drie dergelijke dossiers te behandelen: EFSA/GMO/UK/2006/30 (maïs 59122x1507xNK603), EFSA/GMO/CZ/2008/54 (maïs 88017) en EFSA/GMO/BE/2009/71 (maïs MON89034 x MON88017).

Door hun deelname aan het reglementaire proces van de risicobeoordeling hebben de Bioveiligheidsraad en de SBB eveneens bijgedragen tot meer transparantie van de werkzaamheden van de EFSA. Ten gevolge van de opmerkingen van bepaalde lidstaten, waaronder België, moet het EFSA sinds enkele jaren een samenvatting leveren met een beschrijving van de manier waarop rekening is gehouden met de commentaren en de opmerkingen van de lidstaten in elk van zijn wetenschappelijke opinies over de reglementaire dossiers.