FAQ

Onderwerpen van de veelgestelde vragen

 

Begrippen en definities

BD1: Wat is een ingeperkt gebruik van GMO's en pathogenen?

Dit betreft een activiteit waarbij organismen genetisch worden gemodificeerd of waarbij genetisch gemodificeerde en/of pathogene organismen worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of op elke andere manier worden gebruikt en waarbij specifieke inperkingsmaatregelen worden benut om het contact van deze organismen met de bevolking en het milieu te beperken teneinde voor deze laatsten een hoog veiligheidsniveau te verzekeren. Een activiteit kan worden uitgevoerd in een laboratorium (onderzoek, diagnostiek), een animalarium (kleine en/of grote dieren), een serre, een ziekenkamer (gentherapie) of een inrichting voor procédés op grote schaal (productie).

BD2: Wat is een Genetisch Gemodificeerd Micro-organisme (GGM)?

Een micro-organisme voldoet aan de volgende definitie: elke cellulaire of niet-cellulaire microbiologische entiteit met het vermogen tot replicatie en/of overbrenging van genetisch materiaal met inbegrip van virussen, viroïden, dierlijke en plantaardige celculturen. Met andere woorden gaat het om bacteriën, schimmels en gisten, virussen en viroïden, niet-conventionele agentia verbonden met TSEs (BSE, Creutzfeldt-Jakob disease, Scrapie) alsook celculturen.

Een GMM is een micro-organisme waarvan het genetisch materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature door voortplanting en/of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is.

Voorbeelden van GMMs: Een Escherichia coli die een gen uitdrukt dat codeert voor een humaan eiwit voor onderzoeksdoeleinden. Een Bacillus subtilis die een gen uitdrukt voor een enzym voor productiedoeleinden (industriële of therapeutische toepassingen). Een virale vector (bijvoorbeeld een adenovirus) die een gen draagt dat voor een interleukine codeert die gebruikt wordt bij gentherapie.

BD3: Wat is een Genetisch Gemodificeerd Organisme (GMO)?

Een organisme voldoet aan de volgende definitie : elke biologische entiteit, met inbegrip van micro-organismen, met het vermogen tot replicatie of overbrenging van genetisch materiaal.

Een GMO is een organisme, al dan niet pathogeen, waarvan het genetisch materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature door voortplanting en/of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is.

Voorbeelden van GMOs: een transgene muis gebruikt voor onderzoeksdoeleinden (ook 'knock-out' muizen). Een genetisch gemodificeerd konijn met het vermogen een eiwit te produceren voor therapeutische doeleinden. Een transgene plant die resistent is aan een herbicide.

BD4: Wat zijn pathogene organismen?

Pathogene organismen omvatten zowel humane pathogenen, zoöpathogenen en fytopathogenen.

•  Humane pathogenen zijn micro-organismen, celculturen en endoparasieten, met inbegrip van hun genetisch gemodificeerde afgeleiden, die het vermogen hebben om een infectie, een allergie of een intoxicatie te veroorzaken bij de immunocompetente mens.
Voorbeelden: Bacteriën: Legionella pneumophila, Salmonella enteritidis, Mycobacterium tuberculosis; Virus: rotavirus, hepatitis B virus, HIV; Parasieten: Trypanosoma cruzi, Giardia lamblia, Plasmodium falciparum; Schimmels en gisten: Aspergillus fumigatus, Candida albicans.

•  Zoöpathogenen zijn micro-organismen, celculturen en endoparasieten, met inbegrip van hun genetische gemodificeerde afgeleiden, die het vermogen hebben om een infectie, een allergie of een intoxicatie te veroorzaken bij de immunocompetente dieren. Voorbeelden: Bacteriën: Haemophilus parasuis, Yersinia ruckeri, Mycobacterium bovis; Virussen: Feline clacivirus, Rat coronavirus, Bluetongue; Parasieten: Babesia equi, Sarcopta scabiei.

•  Fytopathogenen zijn organismen, met inbegrip van hun genetisch gemodificeerde afgeleiden, die het vermogen hebben om een ziekte te veroorzaken bij gezonde planten. Voorbeelden: Bacteriën: Agrobacterium tumefaciens; Virussen: Maize dwarf mosaic virus, Grapevine fanleaf virus; Schimmels en gisten: Aspergillus niger

Deze pathogene organismen worden in klassen ondergebracht. Meer informatie aangaande de classificatie van pathogene organismen en de lijst van deze organismen is beschikbaar op de volgende webpagina (in het Engels)

BD5: Wat is het verschil tussen een primaire inperking en een secundaire inperking?

De primaire inperking is het geheel van inperkingsmaatregelen die de verspreiding van (micro-) organismen in de werkomgeving beperken, terwijl de secundaire inperking het geheel van inperkingsmaatregelen inhoudt die de verspreiding van (micro-)organismen in de omgeving buiten de werkzone beperkt.

  • Voorbeelden van primaire inperking: de uitrusting die de inperking van spatten en aërosols toelaten zoals gesloten buisjes, HEPA filters (absolute filter), de microbiologische veiligheidskasten (MVK), isolatoren. Voor procedés op grote schaal bestaat de primaire inperking uit de fermentor.
  • Voorbeelden van secundaire inperking: het lokaal waar het ingeperkt gebruik van GMO's en/of pathogenen plaatsvindt alsook verschillende andere technische installaties.

Opmerking : in sommige gevallen spreekt men ook over tertiaire inperking*. In dit geval betreft dit het gebouw waar de ingeperkte gebruiken plaatsvinden alsook de veiligheidsprocedures die binnen het gebouw worden toegepast. Een tertiaire inperking vermijdt de accidentele blootstelling van de bevolking aan biologische risico's in geval van ongeval.

*V. Halkjaer-Knudsen. Design considerations for large scale production of biologicals: GMP and Containment synergies. Anthology of Biosafety. VIII. Evolving Issues in containment. J. Richmond  Editor. 2005 (ABSA), pp. 39-67.

BD6: Wat is zelfclonering?

Volgens de regionale wetgeving ingeperkt gebruik kunnen GGO's die volgens bepaalde technieken opgebouwd zijn vrijgesteld worden van de toepassing van deze wetgeving.

Een van deze technieken is zelfclonering van micro-organismen en organismen van risicoklasse 1 en van meercellige organismen, uitgenomen de kiemcellen van menselijke oorsprong.

Onder zelfclonering wordt verstaan: ".... het verwijderen van nucleïnezuursequenties uit een cel van een organisme, al dan niet gevolgd door de reïnsertie van dit nucleïnezuur of een deel daarvan (of een synthetisch equivalent) - eventueel na een aantal voorafgaande enzymatische of mechanische bewerkingen - in cellen van dezelfde soort of cellen van een fylogenetisch nauw verwante soort waarmee de eerstgenoemde soort genetisch materiaal kan uitwisselen door middel van bekende fysiologische processen, voorzover het onwaarschijnlijk mag worden geacht dat het resulterende micro-organisme of organisme een ziekte kan verwekken bij mens, dier of plant.

Bij zelfclonering mag gebruik worden gemaakt van recombinante vectoren waarvan het gebruik in combinatie met de betrokken micro-organismen of organismen in de loop der tijd veilig is gebleken".

Een voorbeeld van zelfclonering is een genetisch gemodificeerde schimmel Aspergillus oryzae, van risicoklasse 1, en waarin een aantal kopieën zijn ingebracht van het lactase gen van dezelfde schimmel voor productie van lactase op grote schaal voor toepassingen in de voedingsindustrie.

BD7: Wat is een isolator?

De term "isolator" duidt op het type veiligheidsuitrusting dat in proefdierverblijven wordt gebruikt. Er bestaan verschillende uitvoeringen voor: het kunnen volledig afgesloten kooien zijn voor muizen voorzien van een HEPA filter op de afgevoerde lucht. Zij kunnen bv. dienen voor huisvesting van muizen geïnoculeerd met recombinante virale vectoren (adenovirus, lentivirus). Het kan ook handschoenkast zijn, te vergelijken met een bioveiligheidskast klasse III, met HEPA gefilterde luchttafvoer en luchtaanvoer, en voorzien van een decontaminatiesas, meestal een watersas met ontsmettingsmiddel. Dit type wordt gebruikt voor infectieproeven van proefdieren met via de lucht overdraagbare pathogene organismen, bv. infectie van kalkoenen met Chlamydiales.

Meer gedetailleerde informatie over isolator is hier beschikbaar (zie MVK klasse III).

BD8 : Wat is een bioveiligheidscoördinator?

De gebruiker (natuurlijk of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ingeperkt gebruik van GGO's en/of pathogenen) moet een bioveiligheidsverantwoordelijke (Brussels Hoofdstedelijk Gewest) of bioveiligheidscoördinator (Vlaams Gewest) benoemen. De bioveiligheidsverantwoordelijke/bioveiligheidscoördinator moet over de nodige bekwaamheden beschikken om zijn/haar taak te vervullen en moet in het bijzonder ervaring hebben op het vlak van ingeperkt gebruik van GGO's en/of pathogene organsimen. De bioveiligheidsverantwoordelijke of bioveiligheidscoördinator moet over de nodige tijd en middelen beschikken om zijn/haar werk uit te voeren. De bioveiligheidsverantwoordelijke of bioveiligheidscoördinator heeft tot taak de beoordeling van de risico's van het door de gebruikers gerealiseerde ingeperkt gebruik te superviseren en de door dit besluit vereiste kennisgevingen of toelatingsaanvragen te coördineren.

Bovendien moet hij/zij :

  • zorgen voor de opleiding van de personeelsleden die betrokken zijn bij het ingeperkt gebruik ;
  • instaan voor het afvalbeheer;
  • ervoor zorgen dat er bij ongeval passende maatregelen worden genomen ;
  • de traceerbaarheid van de gegevens verzekeren ;
  • de wijze controleren waarop de GGO's en/of pathogene organismen worden opgeslagen en intern getransporteerd en de wijze waarop de lokalen worden ontsmet, alsook desbetreffende interne inspecties organiseren en eraan deelnemen;
  • waken over het onderhoud   en de controle van het apparatuur;
  • in het algemeen de bioveiligheid van de inrichting verzekeren;
  • waken over de naleving van de getroffen maatregelen en aan de gebruikers de nodige ondersteuning bieden;
  • supervisie houden over de risicoanalyse van de ingeperkte gebruiken van GGO's en/of pathogenen en de coördinatie en de supervisie bij het samenstellen van de bioveiligheidsdossiers waarborgen

 

Wetgeving

W1 : Wanneer valt de manipulatie van dierlijke celculturen onder de wetgeving van ingeperkt gebruik?

Het gebruik van celculturen die niet doelbewust werden geïnfecteerd met pathogene agentia of die niet doelbewust werden genetisch gemodificeerd, vallen buiten de toepassing van de regionale besluiten aangaande ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde en/of pathogene organismen. Bijvoorbeeld, de isolatie van humane perifere bloedlymfocyten uit bloed van patiënten is niet onderworpen aan de wetgeving van ingeperkt gebruik, desondanks het feit dat het bloed van deze patiënten potentieel besmet kan zijn met pathogene virussen (denk maar aan HIV, HBV, HCV, enz.). Anderzijds, wanneer deze lymfocyten doelbewust worden geïmmortaliseerd door middel van Epstein Barr-virus infectie, dan valt het gebruik van deze cellen onder toepassing van de wetgeving van ingeperkt gebruik.

Men kan twee types dierlijke celculturen onderscheiden: primaire celculturen en cellijnen. Zowel primaire celculturen als cellijnen kunnen (accidenteel) drager zijn van ongewenste pathogene agentia als gevolg van hun afkomst (besmet weefsel) of als gevolg van secundaire besmettingen (accidentele besmetting tijdens de isolatie en/of manipulaties van de cellen). Het is dus duidelijk dat, zelfs indien de activiteit niet onder toepassing van ingeperkt gebruik valt, bioveiligheidsoverwegingen verder reiken dan de grenzen van bovenvermelde wetgeving. Dit is in het bijzonder het geval voor de manipulatie van celculturen van humane of dierlijke afkomst.

Meer informatie (in het Engels) over de biologische risico's en de aangeraden veiligheidmaatregelen aangaande de manipulatie van dierlijke celculturen is hier beschikbaar.

W2 : Wat zijn de voornaamste opdrachten van een bioveiligheidscoördinator?

De gebruiker (natuurlijk of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ingeperkt gebruik van GGO's en/of pathogenen) moet een bioveiligheidsverantwoordelijke (Brussels Hoofdstedelijk Gewest) of bioveiligheidscoördinator (Vlaams Gewest) benoemen. De bioveiligheidsverantwoordelijke/bioveiligheidscoördinator moet over de nodige bekwaamheden beschikken om zijn/haar taak te vervullen en moet in het bijzonder ervaring hebben op het vlak van ingeperkt gebruik van GGO's en/of pathogene organsimen. De bioveiligheidsverantwoordelijke of bioveiligheidscoördinator moet over de nodige tijd en middelen beschikken om zijn/haar werk uit te voeren. De bioveiligheidsverantwoordelijke of bioveiligheidscoördinator heeft tot taak de beoordeling van de risico's van het door de gebruikers gerealiseerde ingeperkt gebruik te superviseren en de door dit besluit vereiste kennisgevingen of toelatingsaanvragen te coördineren.

Bovendien moet hij/zij :

  • zorgen voor de opleiding van de personeelsleden die betrokken zijn bij het ingeperkt gebruik;
  • instaan voor het afvalbeheer;
  • ervoor zorgen dat er bij ongeval passende maatregelen worden genomen;
  • de traceerbaarheid van de gegevens verzekeren;
  • de wijze controleren waarop de GGO's en/of pathogene organismen worden opgeslagen en intern getransporteerd en de wijze waarop de lokalen worden ontsmet, alsook desbetreffende interne inspecties organiseren en eraan deelnemen;
  • waken over het onderhoud en de controle van het apparatuur;
  • in het algemeen de bioveiligheid van de inrichting verzekeren;
  • waken over de naleving van de getroffen maatregelen en aan de gebruikers de nodige ondersteuning bieden;
  • supervisie houden over de risicoanalyse van de ingeperkte gebruiken van GGO's en/of pathogenen en de coördinatie en de supervisie bij het samenstellen van de bioveiligheidsdossiers waarborgen.

W3 : Valt autopsie onder de regionale wetgeving ingeperkt gebruik van GGO's en/of pathogenen?

Autopsie die uitgevoerd wordt in het kader van medische diagnose (anatomopathologie, gerechtelijke geneeskunde) of van veterinaire diagnose van natuurlijk geïnfecteerde dieren valt buiten de regionale wetgeving ingeperkt gebruik van GGO's en/of pathogenen. Autopsie op doelbewust geïnfecteerde proefdieren (evenals proefdieren geïnoculeerd met GGMs of transgene muizen) valt echter wel onder deze wetgeving. Autopsie gaat dikwijls gepaard met een blootstelling aan biologische risico's, zoals bijvoorbeeld bij preleveren van hersenen uit runderen mogelijks besmet met BSE. In dit geval de technisch deskundige beveelt aan om de richtlijnen te volgen van de WGO.

Referenties:

  • WHO Infection Control Guidelines for Transmissible Spongiform Encephalopathies. Report of a WHO consultation. Geneva, 23-26 March 1999. WHO/CDS/CSR/APH/2000.3.
  • K.B. Nolte, D.G. Taylor, J.Y. Richmond. Biosafety considerations for autopsy, 2002. The American Journal of Forensic Medecine and Pathology: 23(2); 107-122.

W4: Nieuwe lokalen, vernieuwde activiteiten, verbouwingen… gaat het om een eerste of een volgend ingeperkt gebruik?

Belangrijk: dit document geldt voor de regels die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest

Afhankelijk van het scenario, spreekt men van een procedure “eerste” of “volgend” ingeperkt gebruik.

1) Een nieuwe activiteit in lokalen die reeds zijn opgenomen in de milieuvergunning en in de toelating

  • Wanneer de nieuwe activiteiten in reeds vergunde en toegelaten labo’s zullen plaatsvinden en het risiconiveau van de activiteit niet hoger is dan waarvoor de milieuvergunning werd afgeleverd, komt dit overeen met een volgend ingeperkt gebruik. Er kan bij de kennisgeving verwezen worden naar de reeds bekomen toelatingen, zodat niet alle noodzakelijke informatie opnieuw dient opgesomd te worden.
    Vb: men heeft een vergunning voor een gebouw met lokalen van maximaal inperkingsniveau 3. Een nieuwe activiteit van risiconiveau 1,2 of 3 valt onder de procedure volgend ingeperkt gebruik van respectievelijk risiconiveau 1,2 of 3.
  • Een nieuwe activiteit van een risiconiveau dat hoger is dan het niveau waarvoor de oorspronkelijke milieuvergunning werd aangevraagd vereist een aanpassing van de milieuvergunning en valt opnieuw onder de procedure eerste gebruik 
    Vb: men heeft een vergunning voor een gebouw met L2-labo’s voor activiteiten van risiconiveau 2. Een nieuw L3-labo gaat dan gepaard met een kennisgeving van een eerste inperkt gebruik van risiconiveau 3.
    Vb: men heeft een milieuvergunning van klasse 3 (na melding aan gemeente)om activiteiten van risiconiveau 1uit te voeren. Indien men activiteiten van risiconiveau 2 wilt uitvoeren, moet om een toelating gevraagd worden, verandert de milieuvergunning naar klasse 1 én gaat het om een eerste gebruik.

2) Een nieuwe activiteit of een uitbreiding van een bestaande toegelaten activiteit in lokalen die opgenomen zijn in de milieuvergunning, maar niet in de toelating

  • Wanneer een activiteit een uitbreiding van lokalen met zich meebrengt (wel vergunde, maar nog niet “toegelaten” labo's: d.w.z. deze lokalen zijn opgenomen in de milieuvergunning maar niet in de toelating van de activiteit) kan hiervoor ook een procedure volgend ingeperkt gebruik gevolgd worden zolang de nieuwe lokalen het reeds vergunde niveau niet overschrijden

3) Bij verhuis van een toegelaten activiteit naar een nieuwe locatie of een nieuw gebouw op de site dat een nieuwe milieuvergunning vereist, wordt opnieuw een dossier ingediend onder de procedure eerste gebruik. Er kan bij de kennisgeving verwezen worden naar de reeds bekomen toelatingen, zodat niet alle noodzakelijke informatie opnieuw dient opgesomd te worden.
Vb: Dit kan gelden voor men bijvoorbeeld een nieuwe serre of een nieuw losstaand gebouw in gebruik wilt nemen (procedure eerste ingeperkt gebruik).

4)Wanneer de milieuvergunning afloopt en vernieuwd wordt, moet opnieuw een bioveiligheidsdossier ingediend worden van de eerder toegelaten activiteiten aangezien de toelatingstermijn voor de activiteiten steeds eindigt op de vervaldatum van de milieuvergunning. Dit valt niettemin onder de procedure volgend ingeperkt gebruik.

W5: Dossierrechten/dossierkosten bij het indienen van een kennisgevingsdossier inzake ingeperkt gebruik van GGO’s en pathogenen voor het Vlaams Gewest

De dossierrechten verbonden aan het indienen van een dossier in het kader van activiteiten van ingeperkt gebruik zijn bepaald op grond van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen milieubeleid, gewijzigd op 18 december 2015, gepubliceerd in het BS van 29 december 2015.

De dossierrechten worden bepaald op basis van de procedure ("eerste gebruik" of "volgend ingeperkt gebruik") en op basis van risiconiveau. Bij een dossier met meerdere activiteiten moet enkel de dossierrechten voor de activiteit met het hoogste risiconiveau betaald worden. MAW dossierrechten worden betaald per dossier en niet per activiteit, waarbij de activiteit met het hoogste risiconiveau in aanmerking wordt genomen.

Het bedrag wordt gestort op rekening van het Minafonds IBAN: BE04 3751 1109 9031 (BIC: BBRUBEBB), met als vermelding 'dossierrechten GGO'. De dossierrechten zijn vastgesteld als volgt:

Eerste ingeperkt gebruik van:
 
risiconiveau 1
100 euro
risiconiveau 2, 3 of 4
500 euro
Volgend ingeperkt gebruik van:
 
risiconiveau 1
geen dossierrechten
risiconiveau 2*
 
- kennisgeving
100 euro
- toelatingsaanvraag   
500 euro
risiconiveau 3 of 4
500 euro
Bron: https://navigator.emis.vito.be/mijn-navigator?woId=65153&woLang=nl&woVersion=2017-02-24

* voor een volgend gebruik van risiconiveau 2 is geen officiële toelating vereist, maar de kennisgever kan - indien gewenst -  toch om een officiële toelating vragen bij Departement Omgeving.

Voorbeelden:

  • voor een dossier ingediend onder de procedure "eerste gebruik" met 1 activiteit van risicoklasse 2 wordt een bedrag van 500 euro betaald.
  • voor een dossier ingediend onder de procedure "eerste gebruik" met 6 activiteiten waarvan 5 van risicoklasse 2 en 1 van risicoklasse 3 zijn wordt een bedrag van 500 euro betaald.
  • voor een dossier, ingediend onder de procedure "volgend ingeperkt gebruik" met een activiteit van risicoklasse 2 wordt een bedrag van 100 euro betaald. Indien de kennisgever een - in dit geval niet vereiste - toelating vraagt, wordt een bedrag van 500 euro betaald.

 

Inperkingsmaatregelen, risicoanalyse en risicobeheer

R1: Mag er in laboratoria bureauruimte voorzien worden? Mogen het labogedeelte en het afdministratief gedeelte in open verbinding met elkaar staan?

De beginselen van goede microbiologische praktijk bepalen dat de blootstelling van de werkplek en het milieu aan pathogenen tot een minimum moet beperkt blijven. Dit verklaart ondermeer waarom een laboratorium van inperkingsniveau 2 een voorbehouden toegang heeft, een zelfsluitende toegangsdeur (bv. deur met deurveer), de ramen gesloten blijven tijdens de manipulaties en het personeel beschermende kledij (labojas) draagt die in de kleedkamer gescheiden blijft van de stadskledij.

Dit betekent ook dat de lokalen waar enkel bureauwerk gebeurt fysisch gescheiden zijn van het laboratorium waar de manipulaties gebeuren, dus dat de kantoorruimte niet in een open verbinding staat met het labo, maar dat een afscheiding voorzien is tussen het labogedeelte en het administratief gedeelte (bv. langs weerszijden van een gang). Om dezelfde reden is het aangeraden dat er zich geen bureau's binnen het laboratorium bevinden.

R2 : Aan welke inperkingsmaatregelen moet een laboratorium voldoen waarin een beperkt aantal muizen zijn gehuisvest? Moet dit volgens de inperkingsvoorwaarden van de labo's ingericht worden of volgens deze van een animalarium?

In bepaalde gevallen kan in een labozone een lokaal voorzien worden waar kleine proefdieren zoals muizen gehouden worden: in dat geval zijn naast de inperkingsmaatregelen voor een laboratorium (L) uiteraard ook een aantal pertinente maatregelen van een animalarium (A) toe te passen, zoals bv. een kijkvenster in de deur, en maatregelen om te verhinderen dat de muizen uit het lokaal ontsnappen zoals een drempel of tussenschot voor de deur.

R3 : Moeten bijzondere bioveiligheidsmaatregelen worden toegepast voor de flowcytometrische analyse en/of het flowcytometrisch sorteren van stalen die genetisch gemodificeerde en/of pathogene organismen bevatten?

Bioveiligheidsmaatregelen zouden moeten worden nageleefd in routine- of onderzoekslaboratoria waar gebruik wordt gemaakt van een flowcytometer (FCM), hoofdzakelijk wanneer infectieus materiaal of niet-gefixeerd materiaal gemanipuleerd wordt en geanalyseerd en/of gesorteerd. Het biologisch risico kan voortkomen uit de manipulatie van een staal of meer bepaald uit aerosols en/of druppels gegenereerd door de flux. Biologische stalen kunnen pathogene organismen bevatten (accidenteel of niet). De gebuikers van een FCM kunnen worden blootgesteld aan een biologisch risico tijdens een accidentele inoculatie of bij blootstelling aan druppels en/of aerosols (contacten, inhalatie).

De uitrusting voor celsortering is voorzien van apparatuur dat de vorming van microdruppels toelaat, deze techniek kan tot de vorming van aerosols leiden. Mechanische defecten (lucht in het dynamisch fluxsysteem of verstopping van de buisjes) kunnen de vorming van aerosols aanzienlijk verhogen. Daarom dient het (potentieel) infectieus, biologisch materiaal te worden gesorteerd volgens gepaste inperkingsmaatregelen. De FCM zou bijvoorbeeld moeten voorzien zijn van een inperkingsmodule teneinde de druppeltjes en de gegenereerde aerosols in te perken tijdens de sortering.

Dit type risico wordt versterkt indien de cytometrie gecentraliseerd wordt, daar de gebruiker niet noodzakelijk op de hoogte is van de bijzonderheden met betrekking tot het gemanipuleerd biologisch materiaal. De gebruiker zou over een bioveiligheidsfiche moeten beschikken die een beschrijving geeft van het gemanipuleerd biologisch materiaal. In het algemeen is het belangrijk om over procedures te beschikken met als doel de aerosols in te perken, het biologisch (besmet) afval te beheren ('waste' na analyse of sortering) en de apparatuur te onderhouden.

Meer gedetailleerde informatie (in het Engels) aangaande bioveiligheidsaanbevelingen voor flowcytometrie is hier beschikbaar.

R4: In de referentielijsten van de micro-organismen zijn organismen vermeld waarvoor het maximaal biologisch risico voor de mens 2 is en voor dieren 3. Moeten bij het bepalen van de inperkingsmaatregelen rekening gehouden worden met het risico voor het dier of voor de mens?

Het toe te passen inperkingsniveau is het gevolg van een geval-per-geval risico-analyse die rekening houdt met het type organisme en de aard van de manipulaties: als er met het dierpathogeen enkel diagnostiek of onderzoek op kleine schaal gebeurt in een laboratorium, wordt een inperkingsniveau voor een laboratorium (L) toegepast met eventueel specifieke maatregelen gelinkt aan de aard van het pathogeen zelf, dus niet noodzakelijk een L3.

Anderzijds kan het economisch impact van een dierpathogeen vereisen dat de activiteit uitgevoerd wordt in een L3 laboratorium, alhoewel het bv. geen enkel risico betekent voor de mens, zoals het geval is met het varkenspestvirus of het mond- en klauwzeervirus.

Indien er met dit pathogeen van risicoklasse 3 infectieproeven op dieren gebeuren, zal dit plaatsvinden in het animalarium (A) en zijn de inperkingsmaatregelen vereist voor het animalarium, opnieuw gelinkt aan de karakteristieken van het pathogeen en zijn verspreidingswijze, dus ook niet automatisch een A3.

R5: Een laboratorium voor snelle detectie van BSE krijgt een andere functie. Wat moet er gebeuren met een veiligheidsuitrusting zoals een microbiologische veiligheidswerkkast (MVK)?

Indien de MVK wordt verhuisd naar een ander lokaal, moet deze gedesinfecteerd en verpakt worden zoals gevaarlijk afval, in een dubbele verpakking bestemd voor infectieus biologisch afval. De buitenste afvalzak moet ontsmet worden. Na installatie in het nieuwe lokaal moet de MVK opnieuw gevalideerd worden. In geen geval mag de apparatuur bestemd voor snelle detectie van BSE gebruikt worden voor andere doeleinden. Het lokaal zelf moet gedecontamineerd worden. Dit is niet mogelijk met formaldehyde vermits dit de resistentie nog doet toenemen: als alternatief kunnen chemische methodes gebruikt worden beschreven in de "guidelines" van de WGO (zie hieronder).

Alvorens een MVK te verwijderen moet deze eerst gedecontamineerd en dan ontmanteld worden, dubbel verpakt zoals hierboven beschreven en uiteindelijk afgevoerd worden door een erkende firma voor verbranding. Voor een beschrijving van de specifieke inactivatiemethodes voor prionen, zie:

  • "Bioveiligheidsaanbevelingen aangaande behandelings- en inactiveringsmethoden voor biologisch besmet afval' (PDF)
  • WHO Infection Control Guidelines for Transmissible Spongiform Encephalopathies. Report of a WHO consultation. Geneva, 23-26 March 1999. WHO/CDS/CSR/APH/2000.3.

R6: Wat zijn de vereisten met betrekking tot ventilatie in een laboratorium van inperkingsniveau L2-Q waar fytopathogene quarantaine organismen worden gemanipuleerd?

De regionale wetgeving ingeperkt gebruik van GGO's en/of pathogenen vereist dat er negatieve luchtdruk moet zijn in de "manipulatieruimte" t.o.v. de omliggende zone's. Daarvoor bestaan er twee mogelijkheden:

  • Indien alle handelingen met quarantaine organismen in een microbiologische veiligheidswerkkast (MVK) gebeuren, is het voldoende dat de negatieve luchtdruk beperkt is tot deze "manipulatieruimte".
  • Indien de manipulaties met quarantaine organismen buiten de MVK gebeuren, is het lokaal de manipulatieruimte en moet negatieve luchtdruk voorzien worden in het lokaal t.o.v. de omliggende zone's. Luchttoevoer- en afvoersysteem moeten onderling verbonden zijn om een accidentele overdruk te vermijden bij panne van het luchtafvoersysteem. Bovendien moet er ingeval van accidentele overdruk of panne voor gezorgd worden dat de lucht niet naar buiten kan, met als logisch gevolg dat er kleppen voorzien worden op de luchtaan- en afvoersystemen.

Indien echter de gebruikte quarantaine organismen niet overdraagbaar zijn via de lucht (bv. nematoden die zich via de grond verspreiden), kan een afwijking op deze maatregel gevraagd worden.

Meer gedetailleerde informatie over negatieve luchtdruk bij laboratoria is beschikbaar: PDF.

R7: Stel, de manipulaties met betrekking tot de primo-identificatie van bacteriën van het Mycobacterium tuberculosis complex gebeuren niet in een gescheiden lokaal maar wel in een aparte zone van een L2 lokaal met bijkomende maatregelen waar ook opsporingen en identificaties worden uitgevoerd van andere pathogene micro-organismen. Welke (bioveiligheids)apparatuur dient specifiek voorbehouden te blijven voor de manipulaties met betrekking tot de primo-identificatie van bacteriën van het M. tuberculosis complex?

Microbiologische veiligheidswerkkast:

Alle open manipulaties met betrekking tot de primo-identificatie van bacteriën van het M. tuberculosis complex dienen onder een microbiologische veiligheidswerkkast (MVK) klasse I of II uitgevoerd te worden die bij voorkeur specifiek voorbehouden blijft voor deze primo-identificatie. Indien dit niet mogelijk is, kan de MVK voor andere doeleinden worden gebruikt op voorwaarde dat een duidelijke scheiding in tijd wordt nageleefd en een aantal werkpraktijken strikt worden nageleefd :

  • Alvorens met de primo-identificatie te starten dient de MVP vrij gemaakt te worden van materiaal en/of stalen die niet worden gebruikt voor deze primo-identificatie.
  • Tijdens de uitvoering van manipulaties met betrekking tot de primo-identificatie mogen geen andere manipulaties worden uitgevoerd in de MVK. 
  • Materiaal dat de MVK verlaat en niet onmiddellijk wordt verwijderd als risico-houdend medisch afval of gedeponeerd wordt in autoclaveerzakken, dient aan de buitenkant te worden ontsmet door een geschikt tuberculocidaal desinfectans en geplaatst in lekvrije containers.
  • Ontsmet de binnenkant van de MVK (dwz werkblad, zijwanden en voorraam) met een geschikt desinfectans. Hierbij moet worden opgemerkt dat mycobacteriën een vrij hoge resistentie vertonen tegen klassieke desinfectantia. Alcoholen hebben een goede tuberculocidale werking maar verliezen hun ontsmettende eigenschappen bij contact met organisch sterk bevuilde oppervlakken. Ethanol (70%) kan dus een geschikt desinfectans zijn op voorwaarde dat de oppervlakken goed gereinigd zijn.
  • Draag een dubbel paar handschoenen tijdens de manipulaties. Verwijder deze onmiddellijk na het uitvoeren van de manipulaties. 

Centrifuge:

Voor de primo-identificatie van bacteriën van het M. tuberculosis complex is een centrifuge vereist met een rotor of met centrifugeerbuishouders die hermetisch afgesloten kunnen worden (de zogenaamde "safety cups"). De centrifugeerbuizen zijn hermetisch afsluitbaar en voor éénmalig gebruik. Centrifugeerbuishouders of de rotor mag enkel worden geopend, gevuld en afgesloten onder de MVK klasse I of II. Door het gebruik van deze centrifugeerbuishouders of van een aparte rotor worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat de centrifuge zou besmet geraken bij het accidenteel breken van een centrifugebuis. De centrifuge dient bij voorkeur specifiek voorbehouden te blijven voor de manipulaties met betrekking tot de primo-identificatie van bacteriën van het Mycobacterium tuberculosis complex. wanneer dit niet mogelijk is, kan de centrifuge voor andere doeleinden gebruikt worden op voorwaarde dat de rotor of de centrifugeerbuishouders specifiek voorbehouden blijven voor de manipulaties met betrekking tot de primo-identificatie van Mycobacterium tuberculosis complex.

gp8r_rotor_large.gif

Autoclaaf:

Er moet een autoclaaf beschikbaar zijn in het lokaal of in de nabijheid van het lokaal ingeval het biologisch afval en/of biologische residu’s geïnactiveerd wordt door stoomsterilisatie maar deze dient niet specifiek voorbehouden te blijven voor het biologisch besmet afval afkomstig van de primo-identificatie van M. tuberculosis complex.

Vortex:

Deze dient binnen de MVK te blijven en gedesinfecteerd te worden na elk gebruik. Omwille van de vrij hoge resistentie van mycobacteriën tegen klassieke desinfectantia dient een desinfectantia te worden gekozen met een goede tuberculocidale werking.

 

Over microbiologische veiligheidskasten

MVK1: Zijn laminaire flowkasten ook microbiologische veiligheidskasten?

Niet alle microbiologische veiligheidskasten (MVK's) zijn laminaire flows en niet alle laminaire flows zijn MVK's. MVK's zijn manipulatieruimtes die de bescherming van de proefnemer en het leefmilieu verzekeren bij manipulaties die mogelijk infectieuze aerosols kunnen genereren. Hierbij kan:

  • de luchtcirculatie vergelijkbaar zijn met deze van een chemische trekkast, op voorwaarde dat de lucht bovenaan wordt uitgestoten en gefilterd wordt over ten minste één HEPA-filter. Dit is het geval bij een MVK klasse I.
  • een neerwaartse verticale steriele laminaire luchtstroom ontwikkeld worden waarbij de te behandelen staal beschermd wordt en waarbij de lucht die bovenaan wordt uitgestoten, gefilterd wordt over ten minste één HEPA-filter. Dit is het geval bij een MVK klasse II.
  • de luchtstroom verzekerd worden door een externe evacuatiesysteem, wat een onderdruk in de veiligheidswerkkast veroorzaakt (200 Pa aangeraden door de norm EN 12469). In het geval van een MVK klasse III gaat zowel de binnenkomende lucht als de buitengaande lucht over HEPA filters en zijn alle toegangswegen tot de manipulatieruimte verzegeld.

Manipulatieruimtes met een horizontale laminaire flow (horizontale laminaire flowkasten, crossflowkasten, "clean benches") worden vaak in laboratoria aangetroffen. In dit geval wordt steriele lucht over het te behandelen staal rechtstreeks in de richting van de manipulator geblazen. Echter, in geen geval kunnen ze als MVK beschouwd worden aangezien geen bescherming voor de manipulator noch het milieu wordt geboden. Meer gedetailleerde informatie over MVK's is hier beschikbaar.

MVK2: Moet er bij het werken onder een microbiologische veiligheidswerkkast (MVK) nog bijkomend een ademhalingsmasker of gelaatsbescherming gedragen worden?

In principe bieden de MVK's van klasse I en II in beide gevallen bij correct gebruik bescherming van de proefnemer. Maar voor aërosolvormende manipulaties van bepaalde pathogene organismen van risicoklasse 3 in hoge concentratie, die via de ademhalingswegen, de slijmvliezen van de ogen neus en mond kunnen binnendringen, is het bovendien aangewezen een ademhalingsmasker of gelaatsbescherming te dragen.

Zo wordt bijvoorbeeld het dragen van een HEPA gefilterd masker (type FFP2) aanbevolen bij manipulaties van M. tuberculosis culturen (zie referentie), en besmette weefsels en culturen van hantavirus (Public Health Agency of Canada, Material Safety Data Sheets for Infectious substances). Een gelaatsmasker wordt aanbevolen bij manipulatie van de infectieuze vorm van de parasiet Leishmania donovani (PHA Canada, MSDS).

Referentie: Biosafety Recommendations for the contained use of Mycobacterium tuberculosis complex isolates in industrialised countries, april 2006. Philippe Herman, Maryse Fauville-Dufaux, Didier Breyer, Bernadette Van Vaerenbergh, Katia Pauwels, Chuong Dai Dothi, Myriam Sneyers, Maryse Wanlin, René Snacken en Wiliam Moens (PDF)