Ingeperkt gebruik van GGM's: Bijzondere rampenplannen voor hulpverlening

 

Om de potentiële schadelijke gevolgen van het gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (GGM’s) in een ingeperkte omgeving te beperken, schenkt de richtlijn 2009/41/EG extra aandacht aan de preventie en het beheer van ongevallen door verschillende bepalingen (artikels 13 tot 15).

Deze bepalingen specificeren dat een rampenplan voor ingeperkt gebruik moet worden opgesteld indien het falen van de inperkingsmaatregelen hetzij onmiddellijk, hetzij op termijn kan resulteren in ernstig gevaar voor personen buiten de installatie en/of voor het milieu. Elk betrokken gebruiker moet de vereiste informatie aan de bevoegde overheden geven opdat deze de risico's beoordelen en de gepaste maatregelen treffen om snel en gecoördineerd hulp te kunnen bieden in noodsituaties. De richtlijn voorziet ook in een kennisgevingsprocedure in geval van een ongeval: de Commissie en elke lidstaat die door het ongeval getroffen zouden kunnen worden, moeten worden ingelicht.

Belgisch wettelijk kader

Chronologisch werden deze bepalingen in eerste instantie in de regionale besluiten betreffende het ingeperkt gebruik van GGO’s en/of pathogenen omgezet. De regionale besluiten bepalen dus dat de gebruikers de nodige informatie voor het opstellen van een extern rampenplan aan de regionale overheden verstrekken en dat de regionale overheden de bevoegde minister raadplegen om het rampenplan op te stellen. Er is een extern rampenplan vereist voor sommige activiteiten van ingeperkt gebruik van risicoklasse 2 (uitsluitend grootschalige productie) en voor alle activiteiten van ingeperkt gebruik van risicoklasse 3 en 4.
De ministerraad heeft in 2003 beslist om de provinciale en gemeentelijke overheden te verzoeken een extern rampenplan (Bijzonder Rampenplan voor Hulpverlening, BRH) met betrekking tot het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen op te stellen. De praktische aspecten worden vastgesteld in de ministeriële omzendbrief van de FOD Binnenlandse Zaken van 4 augustus 2005 (Belgisch Staatsblad, 21/12/2005, p. 54623). Opgemerkt dient te worden dat de overeenkomst tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en Sciensano - Dienst Bioveiligheid en Biotechnologie, voorzien in punt IV van deze omzendbrief, niet meer bestaat.
Een algemenere referentie is het Koninklijk Besluit van 16 februari 2006 met betrekking tot nood- en interventieplannen (Belgisch Staatsblad, 15/03/2006, p. 15407).
De opstelling van een extern rampenplan wordt door de Federale Overheidsdienst (FOD) Binnenlandse Zaken beheerd. De oefeningen die ermee verband houden, vallen onder de bevoegdheid van het Algemene Directie Crisiscentrum (ADCC).

Procedures

Intern rampenplan

De verantwoordelijke van een betrokken activiteit op het vlak van het ingeperkt gebruik van GGM’s moet een intern rampenplan opstellen. Dit plan beschrijft de procedures die het mogelijk maken de ongevallen te identificeren, de maatregelen die moeten worden genomen binnen de inrichting om de mens en het milieu te beschermen tegen de gevolgen van een ongeval, en de waarschuwingsprocedures van de betrokken overheden.

Bijzonder rampenplan voor hulpverlening (BRH)

De verantwoordelijke van een betrokken activiteit op het vlak van het ingeperkt gebruik van GGM’s moet aan de bevoegde overheden alle informatie overmaken die nodig is om een BRH op te stellen.
Op basis van de verstrekte informatie, zullen de gemeentelijke en provinciale overheden respectievelijk een gemeentelijk en een provinciaal rampenplan voor hulpverlening opstellen. De bijzondere gemeentelijke rampenplannen voor hulpverlening moeten goedgekeurd worden door de Gouverneur van de provincie. De bijzondere provinciale rampenplannen voor hulpverlening moeten goedgekeurd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken.
Het bijzonder rampenplan voor hulpverlening moet meegedeeld worden aan de overheden en aan de openbare hulpdiensten die bij een ongeval zouden kunnen betrokken worden, zonder dat zij hierom verzoeken, en aan elke andere betrokken persoon die hierom verzoekt.

In geval van een ongeval

De exploitant moet onmiddellijk de 100 en het ADCC verwittigen in geval van een ongeluk.
ADCC
Hertogstraat 53 - 1000 Brussel
Tel: 02/506.47.11
Fax: 02/506.47.09
Openingsuren: 24u/24

Volgende zaken moeten aan het 100-centrum gemeld worden:

  • de omstandigheden van het ongeval;
  • de identiteit van de GGM's of organismen, alsook de vrijgekomen hoeveelheden;
  • de nodige elementen voor de evaluatie van de gevolgen van het ongeval voor de volksgezondheid en het leefmilieu;
  • de reeds genomen maatregelen.

Technische en wetenschappelijke bijstand

FAQ ("Frequently Asked Questions")

  • FAQ1: Welke inrichtingen waar ingeperkt gebruik van GGMs uitgevoerd wordt, moeten een intern rampenplan voorzien in het kader van de Ministeriële omzendbrief van 4 augustus 2005?
  • FAQ2: Confidentialiteit?
  • FAQ3: Wat moet een intern rampenplan omvatten?
  • FAQ4: Wat verstaat men onder "bronnen van gevaar"? 

Woordenlijst: Deze bevat de belangrijkste woorden verbonden aan de bioveilgheid die in verband met de rampenplannen relevant zijn voor de actoren op het terrein.